De dagen voor Aswoensdag (9 maart) worden met name in het zuiden van ons land gekleurd door het jaarlijkse Carnaval. Via de televisie kunnen wij getuige zijn van de vele optochten daar, maar ook bijvoorbeeld in Duitsland.
Carnaval heeft zijn wortels in allerlei gebruiken bij Romeinen en Germanen, die te maken hadden met de feestvreugde om het aanbreken van de nieuwe lente. De benaming carnaval zou afgeleid kunnen zijn van het Latijnse carrus navalis, letterlijk een schip-kar. Volgens het heidense volksgeloof zouden met dit voertuig de vruchtbaarheidsgoden na de strenge winter weer hun intocht doen in het land. Dit zou kunnen verklaren waarom veel carnavalwagens nog de vorm van een boot hebben.
Een andere verklaring, die een christelijke herinterpretatie zou kunnen zijn, is dat carnaval is afgeleid van het Latijnse carnem levare: het vlees opbergen. Anderen denken zelfs aan carne vale: gegroet, vlees, het ga je goed. De laatste twee verklaringen zouden dan te maken hebben met de vastentijd als de periode waarin geen vlees werd gegeten. In ieder geval toont dit aan dat het heidense volksfeest hier binnen de christelijke wereld een nieuwe plaats heeft gekregen.
Ergens wordt op deze manier uitdrukking gegeven aan de spanning in het menselijke bestaan tussen uitgelatenheid en ernst. Enerzijds drukken vastenavond en carnaval uit dat de vreugde een grondhouding is van de christen, dat wij de dingen wel eens moeten relativeren, dat humor een grote kracht is in het leven, dat we eens moeten kunnen lachen om niet in treurnis om te komen. Anderzijds drukt Aswoensdag dan weer de ernst uit, wil ons plaatsen voor de broosheid van ons bestaan, ons uitnodigen om weer onszelf terug te vinden in onze verhouding tot God, de medemensen en de wereld.
Ik moet u eerlijk zeggen dat ik meer vertrouwd ben met de ernst van het leven, dan met het relativeren en de humor van het carnaval. Ik vier dan ook geen carnaval. Maar wel wens ik mezelf, en ook u, toe dat iets van het relativeren en de humor ons deel mag zijn in deze carnavalstijd. Wij hebben het hard nodig in onze maatschappij en onze kerk. Laten wij daar dan om bidden de komende veertigdagentijd.
pastor H. Helsloot
